Deborah is geen jongen, maar lijkt het wel

Hoe het op school met de leerlingen van 1B gaat, weet ik niet. Sinds de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) vorig jaar is ingevoerd, mag ik mijn gesprekken met de leerlingen niet meer met de leraar voorbespreken. Dus terwijl ik zit te wachten op Deborah, kijk ik verrast op als een verlegen jongen de kamer binnenkomt.

‘Ik ben Deborah’, zegt de knul die dus een meisje blijkt te zijn zachtjes.

‘Oh, is Deborah ziek?’ is mijn eerste reactie. ‘Ik ben Deborah’, zegt de knul die dus een meisje blijkt te zijn zachtjes. Verdikkeme, dat had ik geweten als ik nog met de leraar had mogen spreken en dan zat ik hier nu niet zo onhandig te zijn. ‘Jeetje, ik zag je voor een jongen aan!’ gooi ik er maar meteen achteraan. Aan Deborah haar blik zie ik dat ik haar geen groter compliment had kunnen geven. Ze stráált.

Ze heeft dan misschien weinig woorden, maar des te meer tranen

Mijn vergissing blijkt niet ongunstig uit te pakken, maar wat dat  voor haar betekent komt vervolgens niet zo goed uit de verf. Deborah blijkt een meisje van weinig woorden te zijn, bij mij in elk geval wel. Ze komt met moeite mee in de vmbo-basisklas en kan zich mondeling niet zo goed uitdrukken. Met veel schouderophalen en ‘weetikniets’ van haar kant worstel ik me door dit gesprek. Ze kijkt me nauwelijks aan. Wegen en meten is dan een prettige onderbreking. Ik laat haar de groeicurve zien, en merk op dat die afbuigt. “Meisjes groeien niet zo hard meer als ze ongesteld geworden zijn. Ben jij dat al?” Ze knikt en barst dan in tranen uit.

Een enorme stortvloed aan emoties komt naar buiten. Ze heeft dan misschien weinig woorden, maar des te meer tranen. Door ervaring wijs geworden laat ik leerlingen altijd met hun rug naar de deur zitten. Iemand die binnenkomt, ziet de eventuele tranen niet meteen. Dat voelt veiliger voor een leerling als de emoties de overhand nemen.  Ik voorzie haar van tissues en merk op dat dit een heftig iets is voor haar. Ze knikt snotterend en schokschouderend. “Vind je het fijn als ik nu iemand voor je bel?” Ze knikt weer. “M’n moe-oe-oe-der”

Haar moeder lijkt niet heel verrast over deze huilbui

Moeder heeft aan de telefoon een kalmerende uitwerking op haar dochter. Als ik de telefoon weer terug krijg van Deborah, en haar moeder kort spreek, lijkt die niet heel verrast over deze huilbui. Ze wil daar graag een keer apart met me over praten. We spreken af dat Deborah nu direct naar huis komt. Ik zal haar afmelden op school. Met zo’n betraand gezicht wil je toch niet meer terug de klas in? Niet als meisje, en zeker niet als jongen.

Lees ook: BIj Lucas maakt de jeugdverpleegkundige een blunder

Praten met een brugklasser

Het CJG volgt ieder kind, vanaf de geboorte tot het jaar waarin het 18 wordt. Onderdeel hiervan is een gesprek dat de jeugdverpleegkundige op school heeft met iedere brugklasser: hoe gaat het, zowel geestelijk, lichamelijk als sociaal? In de serie ‘Praten met een brugklasser’ vertelt jeugdverpleegkundige Tita van der Pot over deze gesprekken die zij al 9 jaar geregeld voert. Haar ervaringen zijn geanonimiseerd.