Jeremy vraagt zich af hoe hij harder kan groeien

‘Mevrouw, hoe lang word ik?’ Die vraag is me al zo vaak gesteld. Meestal door jongens die wat kleiner zijn dan gemiddeld, trouwens. Met enige zorg en jaloezie zien ze de ene na de andere klasgenoot, met name de meisjes, de lucht inschieten. Dan krijgen ze het gevoel dat ze zelf niet groeien. Of in elk geval niet hard genoeg. Ook Jeremy is er zo één. Het enige hoge aan hem is zijn stem, die zowat een octaaf boven zijn klasgenoten uitkomt. Hij schreef op zijn vragenlijst: hoe lang word ik en wat moet je doen om harder te groeien?

Ik kan niet voorspellen hoe lang hij wordt

Ik leg altijd geduldig uit dat we met de groeigrafiek niet kunnen voorspellen hoe lang iemand later wordt. Wel is te zien of je goed groeit. En dan kun je bijzonderheden signaleren. Alleen heel globaal kan je wat inschatten. Maar wordt dat goed verstaan? Het komt voor dat een kind in de grafiek ziet dat de geschatte marge van zijn eindlengte tussen de 1.70m en 1.90m valt. Je hoeft geen wiskundewonder te zijn om te zien dat het gemiddelde dan 1.80 is. Maar het gemiddelde is niet de voorspelde lengte. Het is gewoon het gemiddelde. Je zou dus in dit voorbeeld net zo goed 1.70m kunnen worden, maar dat wordt lang niet altijd gehoord lijkt het, hoe goed je het ook uitlegt. Soms bazuint zo’n knul dan trots in de klas rond dat hij 1.80m wordt. De klasgenoten die na hem aan de beurt zijn, zeggen dan verongelijkt dat ik het bij die-en-die wél heb voorspeld.

Jeremy maakt zich zorgen: kan hij wel profvoetballer worden?

Maar Jeremy heeft nog een bijkomende zorg om zijn lengte. Hij wil profvoetballer worden en met zijn huidige 1.42m is hij weliswaar goed gegroeid, maar hij vreest niet in de buurt te komen van de vereiste lengte. ‘Hoe lang moet een profvoetballer eigenlijk zijn?’ Omdat ik niet van alle markten thuis ben, raadpleeg ik Google. Een minimumlengte vind ik zo gauw niet. Wel een lijst van grote spelers met een geringe lengte. Ik laat het hem zien. De namen zeggen mij niets, maar hem wel. Zijn mond valt open. ‘Is die maar 1.62? En die 1.60?!’ Zijn droom lijkt ineens haalbaar. Hij kijkt vrolijk.

‘Wat zou je zelf kunnen doen om goed te groeien’, vraag ik hem

Nadat ik het over erfelijkheid en puberteit heb gehad in verband met lengtegroei wil ik hem nog aan het denken zetten. ‘Wat denk jij wat je zelf zou kunnen doen om goed te groeien?’ Met tegenzin zegt Jeremy: ‘Nou, goed eten, veel groente en vitaminen enzo. Zijn eetpatroon biedt op dat gebied zacht gezegd nog wat ruimte voor verbetering. We bekijken samen de schijf van 5. ‘Moet je dat elke dag?’ wijst hij geschrokken bij de schijf groente en fruit. Dat ook goed slapen, en dus op tijd naar bed gaan, belangrijk is voor een goede groei lijkt zijn eerdere optimisme nog meer te temperen. Hij heeft nog een lange weg te gaan.

Praten met een brugklasser

Het CJG volgt ieder kind, vanaf de geboorte tot het jaar waarin het 18 wordt. Onderdeel hiervan is een gesprek dat de jeugdverpleegkundige op school heeft met iedere brugklasser: hoe gaat het, zowel geestelijk, lichamelijk als sociaal? In de serie ‘Praten met een brugklasser’ vertelt jeugdverpleegkundige Tita van der Pot over deze gesprekken die zij al 9 jaar geregeld voert. Haar ervaringen zijn geanonimiseerd.

Eerder gepubliceerde blogs