Praten met een brugklasser: Furkan

Op deze vmbo-school zie ik een brugklas waarvan de meerderheid van de kinderen overgewicht heeft. Het varieert van een klein buikje tot forse obesitas en alles ertussenin. Ook verschilt het erg hoe de leerlingen er zelf over denken. De een haalt zijn schouders op en de ander barst op de weegschaal in tranen uit. Het adviseren is daarom maatwerk.

Veel jongens met een maatje meer lopen in trainingsbroeken

Een van de laatsten die aan de beurt is, is Furkan. Een van de middelzwaargewichten. Het is een vrolijk kijkende knul in een trainingsbroek van Feijenoord. “Ben je voor Feijenoord?” is mijn flauwe openingszin. “Nee mevrouw”, zegt hij beleefd. “Niet echt. Deze broek zit gewoon lekker.”

Veel jongens met een maatje meer lopen in trainingsbroeken. Dat zit lekkerder dan een spijkerbroek en het rekt mee. Maar er wordt weinig of nooit in getraind. Ook Furkan doet niet aan sport. “Ik denk er nog over na, mevrouw.” Hmm, dat hoor ik vaker. Er wordt vaak erg lang nagedacht over de sportkeuze. Intussen gebeurt er niets. Ik ga voorzichtig na of het een geldkwestie is. Ik zou het sportfonds kunnen aanvragen voor hem als er thuis een zeer laag inkomen is. Dat lijkt niet het geval. Zijn beide ouders werken. En hij mag op een sport. Voetbal, karate en kickboksen heeft hij al geprobeerd. Maar dat vond hij allemaal toch niet leuk.

Hij schrikt van de hoeveelheid suiker in zijn favoriete frisdrank

Furkan is erg ontevreden over zijn gewicht. We spreken daarom uitgebreid over voeding. En ik confronteer hem met de hoeveelheid suiker in zijn favoriete frisdrank. “Ik ga meer water drinken”, zegt hij geschrokken. Dan vraag ik nog hoe hij naar school komt. “Ik kom met de tram, mevrouw. Mijn fiets is kapot.” Hij raadt al wat ik wil zeggen, en voegt er snel aan toe dat hij gauw weer wil komen fietsen. Hij zal vanmiddag vragen om een andere fiets. Zo gaat hij vol goede voornemens terug naar zijn lokaal. Hij stopt mijn folder in zijn broekzak en hijst zijn broek bij het opstaan net iets te hoog op. Een vervolggesprek wil hij wel. Ik hoop dat dat een stok achter de deur zal zijn. We hebben afgesproken dat ik morgen zijn ouders even bel. Eerst zal hij thuis zelf over ons gesprek vertellen.

Een week later zet ik ’s ochtends mijn fiets in de stalling op het schoolplein. Ik schrik van een piepende rem naast me. “Mevrouw! Ik heb weer een fiets!” Furkan kijkt me stralend aan, met frisse rode wangen. Ik heb vandaag nog niets gedaan, maar mijn dag is al goed.

Praten met een brugklasser

Het CJG volgt ieder kind, vanaf de geboorte tot het jaar waarin het 18 wordt. Onderdeel hiervan is een gesprek dat de jeugdverpleegkundige op school heeft met iedere brugklasser: hoe gaat het, zowel geestelijk, lichamelijk als sociaal? In de serie ‘Praten met een brugklasser’ vertelt jeugdverpleegkundige Tita van der Pot over deze gesprekken die zij al 8 jaar geregeld voert. Haar ervaringen zijn geanonimiseerd.

Eerder gepubliceerde blogs