Praten met een brugklasser: Marcelle

Jeugdverpleegkundige Tita van der Pot spreekt geregeld met brugklassers. Ze schreef er een serie over: Praten met een brugklasser. In elk blog vertelt ze, geanonimiseerd, over een gesprek dat haar bijbleef. Haar eerste verhaal gaat over Marcelle.

Marcelle

Door het raampje naast het klaslokaal maak ik oogcontact met de wiskundeleraar. Het is maandagochtend. Ik kijk vragend, hij knikt: kom binnen.

De leerlingen van de brugklas mavo/havo herkennen me. Vorige week ontmoette ik ze tijdens de mentorles. Ze vulden allemaal een vragenlijst in en op basis daarvan zal ik de komende tijd met elk van hen spreken. Vandaag begin ik. “Mevrouw!” roept de brutaalste meteen. “Mag ik eerst?!” Maar nee, ik begin gewoon met het meisje dat bovenaan de lijst staat: Marcelle. Een lang meisje met een blonde staart en een beugel. Ik ruik een wolkje parfum terwijl ze wat schuchter met me meeloopt.

Marcelle gaat zitten en lijkt zich te ontspannen. Ik vertel haar dat het gesprek vertrouwelijk is en ze kijkt me vriendelijk aan door haar met mascarawimpers omrande bruine ogen. Op de vragenlijst zie ik met roze viltstift geschreven antwoorden in een regelmatig schuin handschrift. Zo op het eerste gezicht valt geen enkel antwoord op: ze is al helemaal gewend aan haar nieuwe school, heeft daar geen problemen, is gezond, sport en gaat keurig op tijd naar bed. Zo nemen we haar leven als brugklasser door. Ze lijkt tevreden te zijn.

Dan zie ik bij de vraag over bijzonderheden in het gezin toch opvallende woorden: Ja, me ouders zijn geschijden maar daar ben ik aan gewent. Ze wil er best over vertellen. Zo hoor ik dat ze al jaren met haar zusje pendelt tussen twee huizen. Week op, week af. Dat gaat prima. Maar nu met al die schoolboeken is dat af en toe toch ineens erg onhandig. Is ze vaak spullen kwijt die dan nog in het andere huis liggen, terwijl ze houdt van overzicht en structuur. “Maar ja”, zegt ze. “Het is zoals het is. Ze komen niet meer bij elkaar en dat hoeft ook niet meer. Al wilde ik dat eerst wel.” Op de basisschool sprak ze er al over met ‘de praatjuf’, de schoolmaatschappelijk werkster. Ik zie het terug in haar dossier. Dan zegt ze dat ze er wel mee kan leven. “En een paar vriendinnen wonen ook in twee huizen. Daar kan ik kan veel mee delen.”

Met deze wijze woorden lijkt Marcelle ineens heel wat ouder dan 13. Dat zeg ik haar, en zo komen we op het onderwerp groei en ontwikkeling. Zodra ze op de weegschaal staat is de schuchterheid weer terug. “Is dat niet teveel?” piept ze. “Mijn vriendinnen zijn dunner dan ik.” Gelukkig doet ze niet aan de lijn. Samen bekijken we de groeicurven en zo zien we dat niet alleen haar gewicht, maar ook haar lengte behoorlijk is toegenomen. Alles is prima in verhouding. Als ze dat ziet, lacht ze opgelucht haar beugeltje bloot.

Even later verlaat ze mijn spreekkamer. Uit de zak van haar skinnyjeans steekt een folder met websites die voor jongeren interessant kunnen zijn. Twee sites kruiste ik aan: een voor en door kinderen van gescheiden ouders, en een voor meiden met een minder goed zelfbeeld. Terwijl Marcelle naar haar lokaal terugloopt en een klasgenoot mijn kant op stuurt, vul ik snel haar dossier aan met een kort verslag van het gesprek. Ik ruik nog steeds haar parfum.

Praten met een brugklasser
Het CJG volgt ieder kind, vanaf de geboorte tot het jaar waarin het 18 wordt. Onderdeel hiervan is een gesprek dat de jeugdverpleegkundige op school heeft met iedere brugklasser: hoe gaat het, zowel geestelijk, lichamelijk als sociaal? In de serie ‘Praten met een brugklasser’ vertelt jeugdverpleegkundige Tita van der Pot over deze gesprekken die zij al 8 jaar geregeld voert. Haar ervaringen zijn geanonimiseerd.