Praten met een brugklasser: Robert plast nog in bed

Als leerlingen de vragenlijst voor het gesprek met mij invullen, ontlokken sommige vragen wel eens een onderdrukt gegiechel. Vooral de vraag over bedplassen is er zo één. ‘Hahaha, plas je nog wel eens in bed staat hier’, gonst het soms door een klas. Voor de meesten behoort dit fenomeen tot een ver, vergeten verleden. Maar het komt regelmatig voor dat een kind, na eerst voorzichtig om zich heen gekeken te hebben, daar blozend ‘ja’ aankruist. Zo ook Robert.

Kinderen vertellen het nooit aan elkaar. Wel aan mij

Hij zit wiebelend tegenover me met vuurrode wangen. Zijn voet wipt voortdurend op en neer. We bespreken zijn gezondheid, schoolgang, hobby’s, thuis; er is niks bijzonders te melden. Robert is een vrolijke doorsnee brugklasser met vriendjes, een mooi eerste rapport en een leuk voetbalelftal. Het enige dingetje is dat bedplassen. Een paar keer per maand wordt hij tot zijn grote ongenoegen wakker in een nat bed. ‘Ik slaap zo diep, ik heb dat niet door’, zegt hij bijna verontschuldigend.

Zoals meestal bij bedplassers op deze leeftijd, is er al het een en ander tevergeefs geprobeerd, en wordt er uiteindelijk berustend afgewacht tot het alsjeblieft eens een keer ophoudt. Wat het ook bijna altijd wel doet, maar nooit snel genoeg. Robert zegt het niet letterlijk, maar tussen de regels door vraagt hij eigenlijk: Wat is er mis met mij? In elk geval denk ik die vraag te horen en geef ik een algemene uitleg over de ontwikkeling van zindelijkheid, en hoe dat in zeer verschillend tempo gaat. Ik benadruk vooral dat hij zeker de enige brugklasser niet is die nog in zijn bed plast, maar dat kinderen dat nooit, nooit, nooit aan elkaar vertellen. Maar wel aan mij!

Robert lijkt zich wat vrijer te voelen nu, en vertelt dat het al heel wat minder vaak gebeurt dan een paar jaar geleden. ‘In groep 7 was het nog bijna elke nacht en toen zag ik heel erg op tegen het schoolkamp. Maar we hebben toen zo weinig geslapen dat het niet is gebeurd’, lacht hij. We stellen vast dat het de goede kant opgaat, dat hij langzaamaan ‘opdroogt’.

‘Het komt wel goed hoor’

Kinderen verschillen nou eenmaal erg in de manier waarop ze zich ontwikkelen en wat zindelijkheid betreft loopt Robert niet voorop. Maar misschien bij iets anders wel? Gretig hapt hij toe, en vertelt trots dat hij kan programmeren: ‘Zelf geleerd!’ Hij zit meteen wat rechterop als hij daarover vertelt. Ik geef het onderwerp de ruimte en kom aan het eind van het gesprek nog wel even terug op het bedplassen. In de folder wijs ik de website aan waar de informatie staat die ik hem gaf. Hij heeft er geen oog meer voor en steekt de folder in zijn zak. ‘Het komt wel goed hoor.’

Praten met een brugklasser

Het CJG volgt ieder kind, vanaf de geboorte tot het jaar waarin het 18 wordt. Onderdeel hiervan is een gesprek dat de jeugdverpleegkundige op school heeft met iedere brugklasser: hoe gaat het, zowel geestelijk, lichamelijk als sociaal? In de serie ‘Praten met een brugklasser’ vertelt jeugdverpleegkundige Tita van der Pot over deze gesprekken die zij al 9 jaar geregeld voert. Haar ervaringen zijn geanonimiseerd.

Eerder gepubliceerde blogs